texts

Texts

Transcribing the oral tradition...

Social network icons Connect with us on your favourite social network The FBA Podcast Stay Up-to-date via Email, and RSS feeds Stay up-to-date
download whole text as a pdf   Next   

Ethiek-deel 2

You can also listen to this talk.

by Arthakusalin

Ethiek – deel 2

by Arthakusalin

Audio available at: http://www.freebuddhistaudio.com/audio/details?num=LOC152
Vanavond ga ik verder met de reeks over ethiek. Ik had eigenlijk gezegd dat ik vanavond
over de eerste en de tweede trainingsregel zou spreken, maar ik heb mij bedacht. Ik ga
enkel over de eerste trainingsregel spreken, omdat het uiteindelijk de belangrijkste is en
omdat vorige week ook al werd aangetoond dat het een en ander aan vragen oproept in
ieder geval en het verdient ook eigenlijk heel wat aandacht, omdat het precies dus de
belangrijkste trainingsregel is. En ik zal dan zien volgende week of ik de derde en de
vierde of weet ik veel, de vijfde, het zal waarschijnlijk wel maar een trainingsregel per
avond zijn of worden, zodanig dat we in maart nog wel een aantal avonden over ethiek
zullen moeten doorgaan, maar dat valt dan nog af te spreken en dat zal dan wel op de
nieuwsbrief bekend gemaakt worden.
Zo zie je maar dat alles dynamisch is en verandert!

Dus de trainingsregel van het zich onthouden van het doden of kwetsen van levende
wezens of positief gesteld: metta – met daden van liefdevolle warmte zuiver ik mijn
lichaam.
Nu, als we spreken over het zich onthouden van het doden van levende wezens, dan
klinkt dat heel vanzelfsprekend, heel eenvoudig ook. Natuurlijk ga ik geen levende
wezens doden en natuurlijk ga ik geen mensen doden, want dat is moord en natuurlijk ga
ik niemand vermoorden. Of misschien zeggen we zelfs: natuurlijk ga ik zelf geen dieren
doden en omdat we zelf niet doden gaan we vlug voorbij aan de betekenis van deze eerste
trainingsregel, die inderdaad dus eenvoudig en vanzelfsprekend klinkt. Maar misschien is
het wel zo, zoals Sangharakshita het uitdrukt dat mensen heel erg misleid zijn door de
eenvoud van het onderricht van de boeddha en daarom tevreden zijn aan de oppervlakte
van het onderricht te blijven; denkende dat ze weten waar het over gaat en op die manier
niet de diepte van het onderricht peilen of onderzoeken. Ik ben daar in ieder geval bij
wijlen bij - dat ik aan de oppervlakte blijf bedoel ik.
Deze eerste trainingsregel echter is de meest directe en meest belangrijke manifestatie
van het voor toevlucht gaan en het is een trainingsregel in principe dat tot uiting komt
ook in meerdere of in mindere mate in de andere trainingsregels. De boeddha noemde het
spirituele pad naar de vrijheid: de bevrijding van het hart die liefde is. Waarbij liefde dan
staat voor metta of maitri: de onvoorwaardelijke, niet oordelende, liefdevolle
vriendelijkheid. En wij leven met het drogbeeld van geïsoleerd te zijn, van een ik te
hebben dat los en onafhankelijk staat van al het andere. En de boeddha onderwees nu een
pad dat het hart of de geest van de mens uit een verkrampt isolement haalt en naar een
echte verbondenheid leidt. We kunnen ons meer en meer gewaar worden en ons gaan
trainen in gewoonten en invloeden die bevorderlijk zijn voor het bewust worden van deze
werkelijke verbondenheid, voor deze interconnectedness zoals het in het engels genoemd
wordt. En het is mogelijk op te geven wat niet bevorderlijk is, wat niet leidt tot deze
verbondenheid, maar in tegendeel het isolement versterkt.

De boeddha zei ooit:
Men kan dat wat niet bevorderlijk is opgeven. Als het niet mogelijk was zou ik het u niet
vragen dit op te geven. Maar aangezien het welzijn en geluk met zich meebrengt zeg ik u:
geef op wat niet bevorderlijk is.
Geef dus datgene op wat bijdraagt aan het versterken van de illusie dat ik alleen sta
tegenover de rest van de wereld en dat ik beschermd en verdedigd moet worden. Dit is
een kramp, waardoor wij verkrampt leven en allerlei dingen in het leven niet willen,
omdat het ik er bang voor is, het niet wil en als het ware een dijk opbouwt tegen de zee of
de oceaan van het leven. Het leven zal echter veel meer geleefd en beleefd worden als we
los kunnen komen uit die kramp en als we – om het met de woorden van Cheri Huber te
parafraseren willen wat we krijgen in plaats van krijgen wat we willen.

En ethiek zou je dan ook kunnen omschrijven als datgene wat op een organisch
natuurlijke manier ontstaat als we diepgaand beseffen dat mijn pijn in feite gelijk is aan
onze pijn. Dat er geen verschil is tussen mijn lijden en dat van jou. Dat ik niet geïsoleerd
ben van jou en dat ik wel degelijk een ik construeer die vindt dat de tram op dit moment
moet gaan starten want ik moet gaan werken en wat denken zij wel en geen ogenblik later
liefst. Een ik die vindt dat de meditatie ook veel te lang duurt en dat ik niet
geconcentreerd genoeg zit; die vindt dat ik niet goed genoeg ben, die vindt dat mijn adem
veel te lang is en korter moet zijn. Een ik die gewoonweg in de weg staat van mijn
werkelijke ervaring, die het moeilijk maakt om werkelijk te beleven van wat er nu is,
omdat dit ikje allerlei ideeën heeft over hoe het zou moeten zijn. Dus dat ikje kun je
omschrijven als een waarlijk ettertje die ons belemmert het leven in zijn volle rijkdom te
beleven. Het leven met zijn momenten van vreugde en verdriet en het ikje zorgt ervoor op
allerlei krampachtige manieren dat het leven op de stoep blijft staan.

Ethische beoefening zorgt er mee voor dat die interconnectedness ervaren wordt, dat het
ettertje ik (om het zo te zeggen) buiten gezet wordt. Ethische beoefening draagt bij tot het
besef en het ervaren van een diepe universele verbondenheid en eenmaal je deze
universele verbondenheid diepgaand ervaart en werkelijk inziet, dan komt het handelen
zoals in de trainingsregels natuurlijk en spontaan naar voren.
Zoals Bernie Glassman het uitdrukt:
Als je werkelijk de eenheid van het leven hebt ervaren en je komt een dakloze op straat
tegen, dan vraag je niet is dat mijn broeder? Het is een vanzelfsprekendheid en je draagt
zorg voor je broer omdat hij jou is.

Nu, vorige week had ik het over de relatie van ethische beoefening tot de bevrijding, tot
de verlichting. Waarop dan een terechte vraag kwam of je dan niet meer naar het
boeddhistisch centrum moet komen als je niet zoveel of niets met verlichting kan
aanvangen. Nu, het zijn natuurlijk maar woorden of termen, concepten als het ware.
Misschien kan je meer met deze terminologie: dat je ethisch beoefent om voorbij te gaan
aan dat ikje dat we in het leven roepen en dat we ethisch beoefenen om tot de realiteit te
komen, om de werkelijkheid te ervaren van het verbonden zijn met elk levend wezen. Om
het leven in zijn volheid te beleven, als een oceaan zonder dijk in de weg. Maar ook dit
komt neer denk ik op de weg naar vrijheid en bevrijding uiteindelijk.
Maar goed, wanneer ik nu terugkeer naar de eerste trainingsregel. Als je diepgaand
ervaart dat elk levend wezen met elkaar verbonden is. Als je diepgaand ervaart dat mijn
pijn niet verschilt van de pijn van een ander levend wezen, hoe kan je dan kwetsen en/of
doden. En je zou kunnen zeggen: natuurlijk kan ik kwetsen en/of doden, maar wellicht
gebeurt dit steeds vanuit een afgescheiden gevoel, vanuit de beleving van het geïsoleerde
ikje, vanuit waan, begeerte en/of haat. En zoals Santideva het uitdrukt in de
bodhicaryavatara (dit is een samenraapsel van zinnen uit die bodhicaryavatara):
Lijden en geluk zijn voor allen gelijk.
Wat voor mij lijden is, is dat ook voor anderen.
Wat voor mij geluk is, is dat ook voor anderen.
Ik moet het lijden van een ander beëindigen, omdat zijn lijden mijn eigen lijden is.
Gevaar en lijden zijn even afschrikwekkend voor anderen als voor mij.
Ben ik dan zo bijzonder, dat ik slechts mijzelf ertegen bescherm en niet een ander?
Er is geen enkele vorm van lijden die men kan toeschrijven aan een wezen.
Er is lijden, enkel lijden.
En daarom moet het bestreden worden.

Mijn grootste basisverlangen is dat ik gelukkig wil zijn en mag zijn en geen lijden of pijn
mag ervaren. En Santideva benadrukt dat het grootste basisverlangen van een ander
precies hetzelfde is. Hierin zijn we allen gelijk, hierin is elk levend wezen gelijk.
Wanneer wij dan een levend wezen doden, is dat het ontkennen van dit basisverlangen en
het ontkennen dat we allen gelijk zijn. En bovendien komt het doden voort uit een
gemoedstoestand ontstaan uit haat, begeerte en waan en voor dit laatste alleen al is het
doden of kwetsen een niet bevorderlijke handeling, een ongeschikte, een niet
constructieve handeling. Je versterkt het isolement, je versterkt de illusie, je versterkt de
onvrijheid. Maar als we dieper gaan zien we dat doden in feite betekent: jij kan niet
bestaan omdat ik besta en daarmee overtreed ik de gouden regel die zegt (dat zijn verzen
uit de dhammapada) dat alle levende wezens bestraffing vrezen, dat allen de dood vrezen.
Dat is de gouden regel van je zou anderen niet moeten aandoen wat je niet wil dat
anderen jou aandoen. Dit correspondeert dan met ik train mezelf erin me te onthouden
van het doden of kwetsen van levende wezens. Wanneer je het positief formuleert, luidt
de gouden regel als volgt: je zou voor anderen moeten doen wat je wil dat ze voor jou
doen. Dit correspondeert dan met het ontwikkelen van liefdevolle vriendelijkheid, van
metta.
Nogmaals Shantideva: ...

download whole text as a pdf   Next   

Next

Previous

close